Kleine amberjack (Seriola fasciata): de amberjack die via Gibraltar kwam — sinds 1993 in de Middellandse Zee en vaak aangezien voor een jonge ricciola

Wie in de Middellandse Zee onder drijfgoed of bij een visaggregatieapparaat een kleine amberjack vangt, houdt die meestal voor een jonge *Seriola dumerili*, de ricciola. Soms is het een andere soort: *Seriola fasciata* — Engels lesser amberjack, ook false amberjack of little amberjack (Engelse Wikipedia, GBIF), Italiaans ricciola fasciata (Italiaanse Wikipedia), Frans sériole babiane, Spaans medregal listado, Portugees charuteiro, Deens lille ravfisk (GBIF). Een eigen Nederlandse naam vermeldt GBIF niet; “kleine amberjack” is hier een vertaling van de Engelse naam. Anders dan veel nieuwkomers in de Middellandse Zee kwam ze niet via het Suezkanaal, maar volgens de CIESM-Atlas via de Straat van Gibraltar uit de warme Atlantische Oceaan. Hier lees je waaraan je haar herkent, hoe ver ze gekomen is, hoe ze leeft — en waarom ze in de vangststatistieken waarschijnlijk ontbreekt.

1993: de eerste waarneming kwam van de Balearen

Beschreven werd ze door Marcus Elieser Bloch in 1793, oorspronkelijk als *Scomber fasciatus* (Engelse Wikipedia). Haar thuis is de warme Atlantische Oceaan: in het westen van Massachusetts en Bermuda tot Brazilië, in het oosten rond de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden, Kaapverdië en Sint-Helena (CIESM-Atlas). De eerste waarneming in de Middellandse Zee publiceerden Massutí en Stefanescu in 1993 in het *Journal of Fish Biology* — van de Balearen. Twaalf jaar later stelde een Italiaanse onderzoeksgroep rond Andaloro de vraag al in de titel: *“A recent colonist?”* — een nieuwe kolonist?

Waaraan je haar herkent

  • Klein in de Middellandse Zee. Gebruikelijk is hier 8–25 cm vorklengte; het grootste exemplaar uit de Middellandse Zee dat de atlas noemt, mat 29 cm. In de Atlantische Oceaan wordt ze tot 67,5 cm vorklengte en 4,6 kg zwaar (CIESM-Atlas, FishBase).
  • Korte lob aan de tweede rugvin. Dat is het belangrijkste kenmerk: bij volwassen dieren is de voorste, opgetrokken lob van de tweede rugvin maar 11–13 % van de vorklengte lang en meestal 10–15 % korter dan de borstvin. Bij *S. dumerili* is hij ongeveer even lang als de borstvin of iets langer (13–18 %), bij *S. rivoliana* nog langer (19–22 %) (CIESM-Atlas).
  • Smal uiteinde van de bovenkaak. Het achterste uiteinde van de bovenkaak is bij *S. fasciata* relatief slank, bij *S. dumerili* middelbreed tot breed, bij *S. rivoliana* zeer breed (CIESM-Atlas). De Italiaanse Wikipedia zegt het beeldend: bij de ricciola is dit kaakuiteinde zo hoog en breed als het oog, bij *S. fasciata* laag.
  • Jonge vissen gestreept — tot in de vinnen. Onder ongeveer 20 cm vorklengte zijn ze geel met zeven donkere, onregelmatig onderbroken dwarsbanden; de derde tot zevende band loopt door op de vliezen tussen de vinstralen van de tweede rugvin en de aarsvin, een achtste, kleine band zit aan het eind van de staartwortel. Bij jonge *S. dumerili* reiken de banden, als ze er al zijn, niet tot op deze vinvliezen (CIESM-Atlas).
  • Volwassen dieren donkerroze tot violet op de rug, de flanken lichter, de buik wit of zilverachtig (CIESM-Atlas). De Engelse Wikipedia noemt daarnaast een donkere streep van achter het oog tot vóór de eerste rugvin en een naar verhouding groter oog dan bij de grote amberjack.
  • Geen benige schildjes op de zijlijn, wel matig ontwikkelde groeven op de staartwortel (CIESM-Atlas) — dat onderscheidt haar van de Caranx-soorten en de horsmakrelen, waarvan de zijlijn gepantserd is.
  • Meer kieuwboogdoorns: vanaf ongeveer 20 cm vorklengte in totaal 23–27, bij *S. dumerili* en *S. carpenteri* 11–25 (CIESM-Atlas). De bereiken overlappen — een betrouwbaar teken is dat alleen aan de bovenkant.

Hoe ver ze gekomen is

De CIESM-Atlas vermeldt na de Balearen waarnemingen uit de zuidelijke Tyrreense Zee, van Sicilië en Lampedusa in de Straat van Sicilië, uit de Golfe du Lion, de Golf van Gabès (Tunesië), van Sardinië, Rhodos, uit Israël (2009, de eerste waarneming in de Levant), van Malta, uit de Golf van Antalya, uit Syrië, Libanon (beide 2015) en uit Libië (2017). De jaartallen zijn die van de publicaties, niet per se die van de vangsten. De Engelse Wikipedia vat het zo samen: sinds 1993 in de westelijke Middellandse Zee, van daaruit oostwaarts van Sicilië tot in de Levant.

Leefgebied, prooi, paaitijd

  • Volwassen dieren leven dicht bij de bodem. Van vlak boven de bodem tot in het open water daarboven (benthopelagisch), volgens de Engelse Wikipedia op 55–130 m diepte. De Italiaanse Wikipedia noemt haar meer kustgebonden en minder op de open zee gericht dan de andere amberjacks.
  • Jonge vissen staan onder drijfgoed. Kleine juvenielen leven aan het oppervlak onder drijvende voorwerpen in open zee of in shelfwateren ver uit de kust (CIESM-Atlas, FishBase). In de Siciliaanse wateren van de Ionische Zee worden ze volgens de Italiaanse Wikipedia tijdens het goudmakreelseizoen vaak bij visaggregatieapparaten (FAD’s) gevangen.
  • Prooi: koppotigen en vissen (CIESM-Atlas); FishBase noemt inktvissen en vissen.
  • Paait vermoedelijk in de zomer (CIESM-Atlas). De atlas noemt vangsten van kleine juvenielen in oktober en november en van ongeveer eenjarige dieren in verschillende delen van de Middellandse Zee.
  • Bedreiging: op de Rode Lijst van de IUCN niet bedreigd (Least Concern). Haar kwetsbaarheid voor bevissing schat FishBase in als gemiddeld tot hoog (47 van 100).

In de vangst waarschijnlijk onderschat

Volgens de CIESM-Atlas wordt ze vaak met ringzegens gevangen, maar haar aandeel in de commerciële vangst is waarschijnlijk onderschat — omdat ze vermoedelijk vaak als *S. dumerili* wordt aangeland. Het vestigingssucces beoordeelt de atlas voorzichtig met “occasionally reported”, dus af en toe gemeld. De Italiaanse Wikipedia beschrijft daarentegen een kennelijk vrij grote populatie bij Lampedusa. Heb je een kleine amberjack in handen, dan kun je met twee blikken bijdragen: op de lob van de tweede rugvin en — bij jonge vissen — op de banden in de vinnen.

Waar de bronnen elkaar tegenspreken

  • Hoe groot wordt ze? FishBase en CIESM-Atlas: tot 67,5 cm vorklengte (in de Atlantische Oceaan). Italiaanse Wikipedia: tot 75 cm. Voor de Middellandse Zee noemt de atlas hooguit 29 cm. Ook de gebruikelijke grootte loopt uiteen: FishBase 50 cm totale lengte, de atlas voor de Middellandse Zee 8–25 cm vorklengte.
  • Hoeveel stekels in de eerste rugvin? CIESM-Atlas: 8. FishBase: 9.
  • Hoe diep leeft ze? Engelse Wikipedia: 55–130 m. FishBase: 55–348 m.
  • Welke kleur heeft ze? CIESM-Atlas: rug donkerroze of violet; Italiaanse Wikipedia: donker met violette reflecties. Engelse Wikipedia: olijfgroen of bruinachtig.
  • Hoeveel banden, tot welke grootte? CIESM-Atlas: zeven banden plus een kleine achtste op de staartwortel, bij jonge vissen onder ongeveer 20 cm. Italiaanse Wikipedia: acht banden tot ongeveer 30 cm.
  • Zeldzaam of gevestigd? CIESM-Atlas: af en toe gemeld. Italiaanse Wikipedia: een vrij grote populatie bij Lampedusa, jonge vissen bij visaggregatieapparaten vaak.
  • Waar leeft ze in de oostelijke Atlantische Oceaan? Engelse Wikipedia: van Spanje tot Ghana. FishBase acht de verspreiding in de oostelijke Atlantische Oceaan onzeker, omdat ze vroeger met *Seriola carpenteri* werd verward.

Drie valkuilen bij de naam

  • “Ricciola” betekent bijna altijd de grote soort. In de Italiaanse vangst staat de naam voor *S. dumerili*. Juist daarom vermoedt de CIESM-Atlas dat *S. fasciata* in de statistieken verdwijnt.
  • De Guinese amberjack. *Seriola carpenteri* zet de atlas bij de kenmerken naast *S. dumerili* — breed kaakuiteinde, lange vinlob. FishBase noemt haar als reden waarom de verspreiding van *S. fasciata* in de oostelijke Atlantische Oceaan onduidelijk is.
  • Verzamelnamen. GBIF vermeldt voor *S. fasciata* ook simpelweg “Amberjack” en het Spaanse “medregal” — namen die voor meerdere amberjacks worden gebruikt. En de eveneens vermelde Spaanse naam “boquerón” duidt in Spanje gewoonlijk de ansjovis aan.

Blijft de vraag waarmee elk artikel in deze serie begint: wanneer. Bij een roofvis die als jong dier onder drijfgoed staat en als volwassen dier dicht bij de bodem op inktvissen en vissen jaagt, beslist de juiste dag meer dan welke montage ook. Leefgebied, prooi en kenmerken staan hierboven, en die liggen vast. Wat elke dag verandert, zijn de omstandigheden aan jouw water — dat rekent StrikeAhead uit en vertelt je wanneer de tocht de moeite waard is. En omdat je de dieptelijnen en regels van een onbekend gebied niet vanaf de eerste dag kent, vertelt StrikeAhead Pathfinder je met wie je het water op gaat: gecureerde gidsen en schippers, vóór de vermelding persoonlijk gecontroleerd — vergunning en verzekering —, met geverifieerde vangsten in plaats van reclamefoto’s, zonder betaalde ranking en voor jou als visser zonder bemiddelingskosten. De app zegt wanneer, Pathfinder met wie.